Leuke lesideeen voor het basisonderwijs van Juf Naomi
Doelgroep: 4,5,6
Sectie: thema sprookjes
Sectie: nederlands
Geschreven door: Juf ...


Print-vriendelijke pagina..
Sprookjesquiz

Intro:

Al veel geleerd over sprookjes. Benieuwd wat je er nog van weet. We gaan een sprookjesquiz doen.

Kern


Indelen van groepjes.

Spelregels:


Op de bank liggen kaartjes met A, B en C. Zo dadelijk ga ik meerkeuzevragen stellen. Weet je wat dat is? Ik stel de vraag en geef hierbij drie antwoorden. Eén hiervan is juist. Als ik de vraag heb gesteld, denken jullie in groep na. Als ik ‘ja’ zeg, mag je het kaartje omhoog steken met het juiste antwoord.

RONDE 1: weetjes over sprookjes.

-    Met welke zin begint een sprookje vaak?
A.    Er was eens…         B. 100 jaar geleden…        C. In het begin…

-    Wie zou de wolf graag opeten?
A.    Hans en Grietje        B. de drie biggetjes        C. het lelijke eendje

-    Wie werd er opgesloten in het peperkoekenhuisje?
A.    Roodkapje        B. Sneeuwwitje            C. Hans en Grietje

-    Wat had Roodkapje bij zich?
A.    Een fiets        B. een rugzak            C. een mandje

-    De wolf kon één geitje niet vinden. Waar zat dat geitje?
A.    In de klok        B. onder de tafel        C. onder het bed

-    Hoe heetten de laarzen van de reus van klein duimpje?
A.    Zevenkilometerslaarzen    B. zevenmijlslaarzen     C. reuzenlaarzen

-    Wat kreeg Sneeuwwitje van de heks?
A.    Een lekkere appel    B. een vergiftigde appel        C. een halve appel

-    In welk sprookje komt geen wolf voor?
A.    Roodkapje        B. de gelaarsde kat        C. de drie biggetjes

-    Hoe heet het mannetje dat goud kan spinnen?
A.    Windekind        B. Goudhaartje            C. Repelsteeltje

-    Hoe eindigt een sprookje meestal?
A.    En ze waren heel blij…    B. en ze leefden nog lang en gelukkig    C. en hier eindigt het…

RONDE 2: de puzzelronde

De kinderen maken om het snelst de puzzel van Sneeuwwitje. Als de puzzel klaar is, moeten ze allemaal rechtstaan.

RONDE 3: welk sprookje is dit? Met de bordjes

1.    Een meisje dat koekjes naar haar oma brengt.
A.    Roodkapje        B. Assepoester            C. Doornroosje

2.    Een keizer die dacht dat hij prachtige kleren aan had.
A.    De nieuwe kleren van de keizer    B. de gelaarsde kat    C. de keizer en de nachtegaal

3.    Een meisje dat de hele dag moest poetsen.
A.    Doornroosje        B. Sneeuwwitje            C. Assepoester

4.    Een meisje dat haar gouden bal verliest.
A.    Hans en Grietjes    B. de kikkerkoning        C. het gouden meisje

5.    Een meisje met een huid zo wit als sneeuw.
A.    Sneeuwwitje        B. het sneeuwmeisje        C. Assepoester







Mail Juf Naomi