Leuke lesideeen voor het basisonderwijs van Juf Naomi
Doelgroep: 7/8
Sectie: drama
Geschreven door: Juf Milou


Print-vriendelijke pagina..

Improviseren

1. Wat is het doel van de les?
-De kinderen moeten een handeling kunnen uitbeelden, eventueel nadat hij door iemand is voor gedaan.
-De kinderen moeten kunnen samenwerken.
-De kinderen leren een aantal belangrijke punten bij het spelen van een toneelstuk.
(Niet met de rug naar de zaal gaan staan, niet stoppen met spelen maar improviseren als dit nodig is, als je klaar bent met spelen maak je een buiging.)


2. Hoe groepeer ik de kinderen?

Tijdens de inleiding staan we in een grote kring. Daarna worden de kinderen in groepjes verdeeld van vijf of zes kinderen. In de afsluiting staan twee kinderen voor de groep, de rest zit op hun plaats.

4. Welke inleiding ga ik gebruiken?

Voordat ik begin met de les, maak ik eerst afspraken met de kinderen. Iedereen moet goed mee doen en serieus blijven. De les is anders dan ze gewend zijn maar dat wil niet zeggen dat het een drukke boel moet worden. Als er kinderen zijn die zich niet aan de afspraken houden, doen ze niet meer mee en als ik vind dat de hele klas niet serieus meedoet, stoppen we er mee en gaan we “wie dit leest” doen.

Ik beschrijf dan iets wat de kinderen moeten gaan uitbeelden. Ze mogen hierbij niet praten en moeten op hun plaats blijven staan. Zelf doe ik ook mee en kijk intussen wat de kinderen allemaal doen. Opvallende dingen benoem ik en laat ik de andere kinderen eventueel ook doen. De volgende dingen worden uitgebeeld:
-Je wordt wakker en rekt je uit.
-Je stapt uit bed en doet de gordijnen open.
-Het zonnetje schijnt en dat maakt je blij!
-Je kleedt je snel aan en sprint naar de badkamer.
-Je poetst je tanden.
-Je kamt je haar.
-Je rent van de trap af, pakt je tas in de gang en loopt direct de garage in.
-Je springt op je fiets en rijdt weg.

Dan bespreek ik met de kinderen dat we nu eigenlijk allerlei dingen hebben uitgebeeld, oftewel “gedaan alsof”. In een toneelstuk doe je eigenlijk ook alsof.
Je doet alsof je iemand anders bent die van alles meemaakt.

Als je toneel gaat spelen zijn er een aantal regeltjes waar je je aan moet houden.
1. Je gaat nooit met de rug naar het publiek staan. Dan kunnen de mensen niet zien wat je doet.
2. Soms komt het wel eens voor dat een toneelspeler niet meer weet wat hij ook alweer moest zeggen of doen. Dan gaat hij improviseren. Dit wil zeggen dat je ter plekke iets bedenkt en dit doe je of zeg je dan. Het publiek merkt hier meestal niks van.
3. Als je klaas bent met je toneelstuk, maak je een buiging, zo weet het publiek dat je klaar bent en kunnen ze voor je gaan klappen.
Deze regels heb ik uitgetypt zodat de kinderen hier een houvast aan hebben.

5. Wat is de kern van mijn les?

Ik verdeel de kinderen in groepen van vijf of zes kinderen. (zie bijlage voor de verdeling, gemaakt aan de hand van sociogram)
Elke groep krijgt een kaartje, met daarop de inleiding van een toneelstukje. Dit toneelstuk gaan ze zelf afmaken. Het hoeft maar een paar minuutjes te duren. Ze krijgen hier 15 minuten de tijd voor. Het is dus belangrijk dat ze hierbij denken aan de regeltjes van het toneel.
Daarna gaat ieder groepje zijn toneelstukje voor doen aan de andere kinderen. Ik speel de presentator van het toneel en stimuleer de kinderen om door te gaan met spelen als het bijvoorbeeld niet lukt.

6. Hoe sluit ik mijn les af?

Als er nog genoeg tijd over is, doe ik nog een korte activiteit met de kinderen.
Ik heb kaartjes gemaakt, waar verschillende beroepen op staan afgebeeld. Een kind krijgt de beurt en moet het beroep gaan uitbeelden dat op het kaartje staat. De rest moet raden welk beroep het is. Degene die het goed geraden heeft, krijgt dan een kaartje en mag gaan uitbeelden.
Als hier geen tijd meer voor is, bespreek ik met de kinderen hoe de les ging en wat ze er van vonden.

7. Welke materialen gebruik ik?

-geplastificeerde kaarten met de “toneelregels”
-kaartjes met de inleiding van de toneelstukjes
-kaartjes om beroepen uit te beelden
-kaartje voor de presentator
-jas voor de presentator

 

 Beroepen: In word kun je hier heel gemakkelijk kaartjes van maken:

Timmerman                   
Brandweer
Rapper                       
Kapper
Meester/                   
Juffrouw               
caissière
Dokter                       
Piloot
Tandarts                   
Masseur
Pastoor                    
Kok

Situaties:
 
1. Jullie zijn bij oma op zolder aan het spelen. Daar vinden jullie een kist! In die kist zit iets. Wat er in zit mogen jullie zelf verzinnen, wat jullie ermee gaan beleven mogen jullie ook zelf beslissen.


2. Jullie gaan met het hele gezin wandelen in het bos. Daar komen jullie een heel bijzonder iemand tegen. Wie diegene is en wat ermee gebeurt mogen jullie zelf verzinnen.



3. Op een ochtend staat er een doos voor de deur, er zit een pratend huisdier in. Wat voor avontuur jullie ermee beleven mogen jullie zelf beslissen.



4. Wanneer jullie van de meester de kelder van school mogen opruimen vinden jullie een deurtje. Wat er achter het deurtje zit en wat jullie beleven, mogen jullie zelf beslissen.



5. Jullie gaan op vakantie naar een onbewoond eiland. Maar opeens komen jullie er achter dat het eiland niet helemaal onbewoond is. Wie er nog meer woont en wat er gebeurt mogen jullie zelf verzinnen.







Mail Juf Naomi