Leuke lesideeen voor het basisonderwijs van Juf Naomi
Doelgroep: 7/8
Sectie: drama
Geschreven door: Meester Denny


Print-vriendelijke pagina..
Houdingsoefeningen

Oefening 1: 'Spiegelen'

Doel:
De kinderen kunnen bewegingen en houdingen nabootsen, en aan de klas duidelijk maken wat ze met hun beweging of houding bedoelen.

Inleiding:
Maak een kring en leg de opdracht uit. Als het spel goed gaat, dan komt er een variatie bij.
Hierna vertel je aan de groep wat het volgende spel is. Bij dit spel evalueren we wat er goed ging en waar misschien een foutje zat.
Dan proberen we het nog een keer. De klas moet goed kijken naar de houding die gemaakt wordt. Dit is ook uitgangspunt bij het volgende spel. Als laatste gaan de kinderen weer zitten in een halve cirkel. We gaan het spel uitbeelden doen.

Kern:
Spiegelen:
De spelers staan in paren met de ogen dicht tegenover elkaar. Ze leggen de ruggen van de handen tegen elkaar. Zonder het contact te verbreken gaan ze bewegen. Alle bewegingen zijn goed. Als dit goed gaat kun je het spel moeilijker maken door tussen de personen een afstand te maken van ongeveer 30 cm. Om dit goed te laten verlopen moeten de bewegingen langzaam gemaakt worden.

Een houding doorgeven: De spelers staan in een rij met de ruggen naar elkaar toe. De achterste persoon neemt een houding aan (zittend of staand). De andere spelers kunnen dit niet zien. Nu draait de eerste speler uit de rij zich om. Deze krijgt enkele seconden om te kijken welke houding is aangenomen en neemt dezelfde houding aan.

De speler die de houding had aangenomen gaat weer staan maar moet zij houding goed onthouden. Nummer 2 uit de rij mag zich nu omdraaien om te kijken. Het spel gaat door en de eerste en laatste houdingen worden met elkaar vergeleken. Wat is er veranderd?

3 op een rijtje:
Drie personen gaan op een rijtje staan en nemen een bepaalde houding aan. Ze blijven als bevroren in die houding staan. Een vierde persoon bekijkt de drie goed en verlaat de ruimte. Drie andere personen veranderen snel wat aan de "standbeelden". Een houding of een gezichtsuitdrukking. De buitenstaander wordt binnen geroepen in moet nu opsporen wat er veranderd is. Uitbeelden: de groep zit in een halve cirkel. 1 persoon mag naar voren komen om iets uit te beelden en de anderen mogen raden wat er uitgebeeld wordt. Voorwerpen om uit te beelden zijn: sporten, typetjes, spreekwoorden etc. begeleiding: Stimuleer en motiveer de groep door aan te moedigen en complimentjes te geven, aangeven wat wel en niet goed gaat.

Oefening 2 'Schipper mag ik overvaren?'

Doel:
De kinderen raden de beweging en proberen dit na te doen.
De grove motoriek wordt ontwikkelt en reactiesnelheid wordt gestimuleerd.

Inleiding:
Je legt de regels uit, wijst een schipper aan en zet de kinderen op een lijn. De schipper mag hiervoor staan.

Kern
Het spel lijkt op schipper mag ik overvaren en de regels en de opstelling zijn ook hetzelfde.
Alle kinderen staan op een rij. Een kind staat als schipper voor de rij en bedenkt een dier. Hij/zij beeldt dit uit en de andere kinderen raden welk dier het is.
Wanneer dit geraden is dan mogen de kinderen als dat dier oversteken. De 'schipper' mag de kinderen tikken.

Oefening 3 'Beeldhouwen'

Doel:
Het bewust worden van verschillende uitdrukkingen.
Je bent in staat om zelf de uitdrukkingen uit te beelden.

Inleiding:
Je deelt de klas op in tweetallen. De een is de beeldhouwer en de ander de boetseerklei.

Kern: De beeldhouwer vormt van de klei een beeld met een bepaalde uitdrukking. De persoon die geboetseerd wordt, probeert zich zoveel mogelijk te ontspannen en zich in houdingen te laten zetten.
Zodra de beeldhouwers klaar zijn bekijken ze elkaars beelden. Ze vertellen elkaar waar het beeld hen aan doet denken.

Oefening 4 'Bewegingen overnemen'

Doel:
Het leren improviseren van bewegingen en het eigen maken van een beweging van een ander. Verder moeten de kinderen initiatief nemen en fantasie gebruiken.

Inleiding:
Maak een kring en leg het spel uit.

Kern:
Een kind gaat in de kring lopen op een bepaalde manier en in een bepaald ritme. Zodra het lekker gaat nodigt de wandelaar iemand uit de kring uit in de cirkel met hem mee te lopen.
Hij leert de ander zijn loopje.
Zodra de nieuwe het onder de knie heeft, vertrekt de eerste.
Nummer twee gaat door en verandert het loopje langzaam in zijn bewegingspatroon.
Op zijn beurt nodigt nummer twee weer iemand uit en zo verder tot iedereen aan de beurt is geweest.

Oefening 5 'De fabriek'

Doel:
De kinderen leren om zelf een beweging te maken en een geluid hierbij te verzinnen.
Ze leren samenwerken en op elkaar aansluiten met verschillende bewegingen en geluiden.

Inleiding:
Maak een kring en leg het spel uit.

Kern:
Je kiest een kind uit de kring en vertelt dat hij een beweging en geluid moet maken van een machine. Wat voor machine dit is mag het kind zelf verzinnen. De rest kijkt goed naar wat het kind doet.
De leerkracht kiest een tweede kind. Dat kind pakt het andere kind vast en voegt een nieuw geluid en beweging toe. Hoe dat kind de ander vast houdt mag het zelf weten.
Zo ga je door tot je van verschillende losse onderdelen een samenwerkende machine ( fabriek ) hebt gemaakt.



met dank aan meester Denny






Mail Juf Naomi